In november zet de zon zijn afmars flink door, waardoor de natuur zich gaat terugtrekken. Dieren zoeken een veilig onderkomen voor hun winterslaap of bergen zichzelf op als eitjes, rupsen of poppen in muurspleten en oude boomstammen. Planten doen dat ook: door zich te manifesteren in hun zaadjes, terwijl de blaadjes verkleuren, loslaten, verschrompelen en verteren. Wat overblijft, is een op het oog kaal landschap. Ook onze ziel maakt in november een terugtrekkende beweging. We keren naar binnen, waar we ons ook goed kunnen verbergen. Zo goed zelfs, dat we tijdens die donkere najaarsdagen zomaar een beetje zoek kunnen raken in onszelf, overvallen door melancholie of erger: depressie. De overgang van zomer naar winter gaat dus niet altijd even soepel. Zeker, onze centrale verwarming, geïmporteerde en klimaatkasgroenten maken het eenvoudiger dan vroeger om de winter in te gaan. Toch kost  – innerlijk gezien –  de overtocht naar de donkere tijd van het jaar veel mensen echt moeite. Wat ons helpt bij zo’n oversteek of ‘rite de passage’ zijn de jaarfeesten en alles wat daarbij hoort.  

 

Eerst zwoegen, dan stralen

Authentiek Sint Maarten vieren is voor kinderen, begeleidende ouders en leerkrachten best een klus. Eerst graaf je een knol uit – een suikerbiet, pastinaak, koolraap, een flinke winterpeen of een (voeder)biet. Voor je het weet hakt je scherpe spade een plakje van je knol  af of steek je er doorheen – voorzichtigheid is dus geboden, ook voor de vingertjes. Het uithollen van een knol  is geen sinecure. Hoe laat je de knolwand dik genoeg om een sterk mandje te zijn voor je kaarsje, en toch dun genoeg om er een stralend lichtje doorheen te laten schijnen? Een gat in de schil – een lichtlek – is zo gemaakt! De laatste opgave is het brandend houden van je kaarsje tijdens dit lichtfeest. Hoe bescherm je het kwetsbare vlammetje tegen zware herfstwindvlagen en voorzie je het tegelijkertijd van voldoende zuurstof?  

Misschien symboliseert het ritueel van uitgraven, uithollen en ronddragen van een Sint Maartensknol   tegelijk het ‘nut’ van zo’n aardelichtje als wegwijzer voor onze innerlijke overtocht van zomerzon naar winterdonkerte... Het stralende schijnsel uit een Sint Maartensknol is als een licht op het donkere pad, en ook een vonkje om je winterziel mee te ontsteken, opdat die niet bevroren of verstrikt raakt in de somberte van de kale natuur 

Een boven de grond gegroeide pompoen is ook prachtig als lampion, met zijn mooie, warmoranje gloed. En ook een stuk eenvoudiger te maken dan het uithollen van zo’n weerbarstige suikerbiet of knolselderij. Maar een pompoen is een vrucht, geen knol. En draagt daarmee niet de symboliek van de verbinding tussen duisternis en licht, tussen warm en koud, tussen aardediepte en sterrenhoogte. Tussen eerst zwoegen en daarna stralen. Voor die ‘oerbeleving’ kun je toch het best gewapend met mesjes, beiteltjes en lepels in de weer gaan met een aardvrucht. De langwerpige witte raap is een gemakkelijker optie. Met een simpel waxineholletje bovenin schijnt hij toch mooi door - en je kan hem als een flinke kaars vasthouden. 

 

Wortels als houvast

Het lichtje in de Sint Maartenslampion heeft nog een betekenis. Het verwijst naar de verwachtingsvolle kiemkracht, gevormd uit zomers zonlicht - en waarmee deze aardvruchten vastberaden de winter overleven. Een onzichtbare kracht die je niet zou vermoeden als je naar het schijnbaar afgestorven loof van zo’n knol kijkt. En juist die onzichtbare kracht is voedend voor mensen. Volgens de biodynamische, antroposofische voedingsleer hebben wortelgewassen, meer dan blad- en vruchtgewassen, invloed op de zenuw-zintuigprocessen vanuit je hoofd. Dus op het waarnemen, denken en voorstellen. Die processen kunnen dan door het eten van wortelgroenten gesterkt en geharmoniseerd worden. Om een beetje te begrijpen wat hier bedoeld wordt, kun je kijken naar wat een wortel in de aarde doet: opnemen, wortelen en houvast bieden. Die activiteiten doen wij ook met ons hoofd. Met ons waarnemingsvermogen nemen we dingen in ons op. Met een levendig en creatief (kiemkracht!) denk- en voorstellingsvermogen kunnen we plannen maken. Plannen bieden houvast naar de toekomst en werpen hun warme licht vooruit op je pad. De hypothese is dan ook dat het eten van wortels en knollen in het najaar ons kan helpen om een beetje weg te blijven uit de herfstmelancholie. De enige manier om te checken of dit inderdaad zo werkt, is het uit te proberen!

 

Spruitjes als zonnetjes

Spruitjes en kolen, zoals rode, witte, savooie- of boerenkool groeien niet onder de grond, maar zijn toch typische wintergroenten. Waar de meeste planten hun blaadjes wijd en vol overgave uitspreiden, leggen de kolen ze in een beschermend, naar binnen gericht gebaar behoedzaam over elkaar heen – een beetje zoals Sint Maarten zijn mantel om de arme bedelaar legt. De bolvormen van kolen en spruitjes komen, botanisch gezien, normaalgesproken alleen in het bloemgebied voor – dus in bloemknoppen, vruchten en zaden. De bolvorm kun je zien als een symbool voor de zon. Een koolplant trekt de zon als het ware een beetje naar beneden, haar bladgebied binnen. Vanuit deze gedachtegang kun je een spruitje zien als een klein zonnetje, dat je van binnen verlicht en verwarmt. Bijzonder is dat je dit weerspiegeld ziet in de voedingswaarde. Ongekookt bevatten spruitjes wel twee maal zo veel vitamine C als sinaasappels!

Koolbladeren vormen samen een heel eigen binnenwereld. Opvallend is dat het daar in die ‘bladbol’ niet groen is, maar wit, geel of rood. Kleuren die normaalgesproken, net als de bolvorm, alleen voorkomen bij bloemen en vruchten. De binnenste bladeren worden afgeschermd van het zonlicht, waardoor ze geen bladgroenkorrels (chlorofiel) kunnen vormen. Daardoor kan er in die binnenste bladeren geen fotosynthese plaatsvinden. Fotosynthese, dat is de typische plantenademhaling – koolzuur wordt omgezet in zuurstof – binnen de groene plantendelen, vooral in de bladeren. Je kunt een gevoel krijgen voor wat de kolenfamilie met je doet, door met je armen ‘het gebaar’ te maken van de koolbladeren. Dit gebaar is in de winter best fijn om te maken, maar kan in de lente en zomer juist verstikkend (spruitjeslucht!) voelen. Dat kolen die speciale, sterk omhullende kracht bezitten, voelden de mensen van oudsher aan. Nog niet zo lang geleden werd kinderen verteld dat baby’tjes uit rode of witte kolen komen. De omhullende kool lijkt op de baarmoeder, die met haar verschillende vliezen een ongeboren mensenkindje beschermt en voedt. Dat dichtvouwen is typisch voor de wintergroenten. Prei en ui, leden van de lookfamilie, doen op een heel andere manier óók aan het ‘omhullend dichtvouwen’ van hun blaadjes. 

Kolen en spruitjes zijn op meerdere manieren ‘kundig’ in het begeleiden van overgangen. Zo zijn ze ook behulpzaam bij de overgang van vrouwen, vanwege het feit dat ze het stofje diindolylmethaan (DIM) bevatten. DIM helpt het lichaam om oestrogeen af te breken, zodat een gebalanceerde hormoonspiegel ontstaat. Dat geldt overigens ook voor andere groenten die behoren tot de familie van de kruisbloemigen, zoals broccoli, bloemkool, radijsjes en rucola. 

 

Warmte kruiden en kleuren

Koolgewassen zijn zeker niet voor iedereen makkelijke kost. Blijkbaar heeft het verteringsstelsel er moeite mee om die goed verpakte ‘koolkracht’ los te maken en op te nemen. Koolgewassen worden lichter verteerbaar door ze te bereiden met verwarmende kruiden zoals anijs, dille, karwij, koriander of venkel (schermbloemigen). Ook rozemarijn, salie of tijm (lipbloemigen) doen dat – en ook specerijen zoals gember, kruidnagel, kardemom of kaneel. Hun warmte is een hulpje bij de spijsvertering.Voor mensen die kolen – ondanks verwarmende kruiden – niet kunnen verdragen, is er gelukkig altijd nog de winterpeen. Zeker gekookt of roergebakken is die voor de meesten goed verteerbaar. Zoals rode en gele kolen hun kleur dus kunnen laten afdalen tot in hun binnenbladeren, zo trekt de winterpeen een stralend oranje helemaal de koude grond in – tot in de wortel! Dat is uitzonderlijk, als je bedenkt dat bijna alle ander plantenwortels wit zijn. De rode biet kan het ook. En ook de gele koolraap. Het is interessant om te beseffen dat de vitale voedingskwaliteit van zo’n winterpeen, die zich uiteen heeft moeten zetten met de harde koude wintergrond, een andere is dan die van de zomerwortel (bospeentjes). Van die dikke, oranje winterpeen kun je overigens ook een heel mooi Sint Maartenslampionnetje maken.  

 

Van rapen tot rabarber

Sint  Maarten is het eerste van drie lichtfeesten. Veertig dagen na die avondlijke Sint Maartensoptocht wordt, midden in de winternacht, het in doeken gewikkelde Kerstkind geboren. Buiten is het dan op z’n donkerst - maar dat ene hoopvolle Sint Maartensvlammetje is, na het beurtelings ontsteken van de vier adventskaarsen, nu uitgegroeid tot een kerstboom in het hart van ons huis, vol stralende lichtjes. Het derde en laatste lichtfeest, Maria Lichtmis, vieren we op de ochtend van 2 februari: precies 40 dagen na Kerstmis brengen we het licht weer naar buiten. Traditioneel worden met Maria Lichtmis de overgebleven kaarsstompjes uitgezet als kaarsenbootjes. Vanaf het open water worden de laatste kaarsenstralen opgenomen in het groeiende licht van de nieuwe lentezon.

Met Maria Lichtmis wordt de tijd dat we ons huis van binnenuit moeten verwarmen en verlichten afzienbaar. En daarmee loopt ook de ‘missie’ van wortels, koolgewassen en andere wintergroenten ten einde. Gelukkig schieten rabarber, radijsjes, asperges en spinazie en nog veel meer voorjaarsgroenten net op tijd te hulp om de sprong naar het lentelicht te maken!

Aardelichtjes

Sint Maarten en wintergroenten 

Het eerste lichtfeest van het jaar, Sint Maarten, komt dichterbij. Op of rond 11 november komen kinderen samen met hun zelfgemaakte lantaarn  - voor een sprookjesachtige optocht door de invallende schemering. Vaak zie je daarbij uitgeholde pompoenen, maar oorspronkelijk werden er aardvruchten voor gebruikt: bieten, koolrapen, pastinaken en wortels. Waarom?En hoe zit het met de andere wintergroenten? Dragen spruitjes, kolen en prei misschien ook ‘een lichtje’ in zich mee?